Eline Vere: Een Haagsche roman by Louis Couperus

 

‘Eline Vere'(1888) is de debuutroman van Louis Couperus. De roman kan gezien worden als een typische exponent van het eind-19e-eeuwse literaire naturalisme, een stijl die het grootste deel van het werk van Couperus kenmerkt.
Eline Vere, is een meisje van drieëntwintig uit een gegoede familie dat bij haar zus Betsy en haar zwager Henk van Raat inwoont. Hoewel er vaak mensen over de vloer komen voor soirees en diners en Betsy en zij vaak uitgaan, voelt Eline zich eenzaam en ongelukkig. Dan wordt ze verliefd…

Men verdrong zich in de, tot kleedkamer ingerichte, eetzaal. Voor een psyché stond Frédérique Van Erlevoort, met loshangende haren, zeer bleek onder een dunne laag poudre-de-riz, de wenkbrauwen als door een enkele penseelstreek zwarter getint.

—Haast je dan toch, Paul! We komen niet klaar! zeide ze, een weinig ongeduldig, met een blik op de pendule.

Voor haar knielde Paul Van Raat, en zijn vingers plooiden een langen, ijlen sluier, van goud en karmozijn, als een draperie om haar middel. De stof wolkte op het roze fond van haar onderkleed; haar hals en armen waren, sneeuwwit van de veloutine, vrijgelaten en flonkerden in den glans van, door elkander gestrengelde, snoeren en ketenen.

—O, wat een tocht! Hoû toch de deur dicht, Dien! gilde Paul een oude meid na, die bevracht met eenige japonnen, de kamer verliet. Door de open gelaten deur zag men gasten, gerokte heeren en licht gekleede dames; zij begaven zich langs de aralia’s en palmen van den corridor naar de groote suite; zij glimlachten om de oude meid en wierpen een steelschen blik naar binnen.

Allen schaterden om die verrassing, dien blik achter de coulisses; alleen Frédérique bleef ernstig, in het bewustzijn, dat zij de waardigheid eener antieke vorstin had op te houden.

—Haast je toch, Paul! sprak zij, bijna smeekend. Het is al over half negen!

—Ja, ja, Freddy, wees maar niet bang, je bent al klaar! antwoordde hij, en handig schikte hij eenige juweelen tusschen de gazige plooien harer draperie.

—Klaar? vroegen Marie en Lili Verstraeten, uit de kamer komende, waar de estrade was opgeslagen: een geheimzinnige verhevenheid, als uitgewischt in een halfduister.

—Klaar! antwoordde Paul. En nu, alsjeblieft kalmte! vervolgde hij, terwijl hij zijn stem verhief en gebiedend in het rond zag.

De vermaning was noodig. De drie jongens, de vijf meiden, die als kameniers dienst deden, liepen in het, met allerlei accessoires opgevulde, vertrek elkaâr in den weg, lachende, gillende, de grootste wanorde veroorzakend. Te vergeefs poogde Lili een gouden bordpapieren lier uit de handen te redden van den twaalfjarigen zoon des huizes, terwijl de beide bengels van neven op het punt waren tegen een groot wit kruis aan te klimmen, dat, in een hoek der kamer geplaatst, onder hun aanvallen reeds wankelde,

—Weg van dat kruis, Jan en Karel! Geef die lier op, andere Jan! brulde Paul. Zorg daar toch een beetje voor, Marie, en nu…. Bet en Dien hier, Bet met de lamp; Dien bij de deur; de anderen weg! Er is geen plaats meer; kijken in den tuin aan het raam van de groote zaal; daar zie je alles prachtig, uit de verte…. Kom, Freddy, voorzichtig, hier is je sleep….

—Je vergeet mijn kroon….

—Die zal ik je opzetten, als je gepozeerd bent. Kom, allons.

De drie verbannen meiden haastten zich weg te komen, de jongens hurkten neêr in een hoek der tooneelkamer, waar zij niet door het publiek gezien konden worden, en Paul hielp Freddy de estrade beklimmen.

II

Marie, nog even als Lili niet gedrapeerd, sprak door het gesloten raam, met den vuurwerker, die in den besneeuwden tuin, in een dikken duffel, wachtte om het Bengaalsch licht af te steken. Een groote reflector was door het venster als een bleeke, lichtlooze zon zichtbaar.

—Eerst wit, dan groen, dan rood! riep Marie, terwijl de vuurwerker knikte.

De kamer was donker, slechts verlicht door de lamp, die Bet vasthield, terwijl Dien bij de porte-brisée der, nu verlaten, kleedkamer stond.

—Voorzichtig, Freddy, voorzichtig! sprak Paul.

Frédérique liet zich zeer behoedzaam in de kussens van het rustbed neêr; Paul schikte haar draperieën, haar kettingen, heur haren, haar diadeem, en strooide hier en daar een bloem.

—Is het zoo goed? vroeg zij met bevende stem, eene, van te voren bestudeerde poze aannemende.

—Je bent om te stelen, prachtig; nu Marie, Lili hier!

Lili wierp zich op den grond, Marie vlijde zich tegen de bank, met het hoofd aan Frédérique’s voeten. Vlug drapeerde Paul beide meisje in kleurige châles, sluiers, strengelde snoeren om haar armen, in heur haren.

—Marie en Lili, wanhopig kijken! meer wringen je armen, Lili! In wanhoop, meer in wanhoop! Freddy, jij meer smachten, je oogen omhoog, in je mond iets treurigs.

—Zoo?

Marie schaterde.

—Ja, zoo! Zoo is het beter; stil nu, Marie, alles klaar?

—Klaar! sprak Marie.

Paul schikte nog iets, een plooi, een bloem, in wantrouwen, of alles gereed zoû zijn.

—Kom, nu maar beginnen! sprak Lili, die zeer ongemakkelijk lag.

—Bet, breng de lamp weg; Dien, de deur dicht, en dan beiden hier, elk aan een kant van de porte-brisée!

Dit gebeurde, en zij bevonden zich allen met kloppende harten in het pikdonker, terwijl Paul aan het venster tikte, om zich daarna bij de jongens in den hoek te voegen.

Langzaam en weifelend ontvlamde het Bengaalsche licht tegen den reflector aan, de porte-brisée schoof statig open, een helle witte gloed verheerlijkte het tableau.

III

Glimlachend en beleefd, terwijl de gesprekken eensklaps in een murmelend gegons overgingen, drongen zich de gasten in de groote suite en de serre een weinig naar voren, verblind door een zee van kleuren en licht. Heeren weken uit voor een paar lachende meisjes; op den achtergrond der zaal klommen jongelieden op stoelen, om beter te zien.

—“La mort de Cléopâtre!” las Betsy Van Raat aan mevrouw Van Erlevoort voor, die haar het programma had gereikt.

—Prachtig, magnifique! hoorde men van alle zijden.

In den witten gloed van het licht scheen het oude Egypte herschapen te zijn. Tusschen weelderige draperieën zag men iets als een oaze doorschemeren, een blauwe lucht, een paar pyramiden, een palmengroep. Op haar door sfinxen getorste rustbank lag Kleopatra, overgolfd door een vloed van lokken, den dood reeds nabij, terwijl zich een adder om heur arm kronkelde. Twee slavinnen wrongen zich in wanhoop aan haar voeten. De bonte droom eener oriëntalische pracht van enkele seconden, de poëzie der oudheid voor korte wijlen herlevend, onder de blikken eener moderne soirée.

—Dat is Freddy! sprak Betsy; beeldig, o beeldig! en zij wees mevrouw Van Erlevoort, wie al die weelde een weinig voor oogen schemerde, de stervende vorstin aan. Nu echter herkende de moeder haar eigene dochter in het bevallige, onbewegelijke beeld, ginds voor haar.

—En dat is Marie, en die andere, o, dat is Lili, onherkenbaar! Wat een prachtige costumes, wat een moeite! Ziet u, die draperie van Lili, dat violet met zilver, heb ik hun nog geleend.

—Hoe doen ze het! murmelde de oude dame.

De witte gloed van het licht weifelde, de deuren schoven dicht.

—Prachtig, tante, prachtig! riep Betsy tot mevrouw Verstraeten, de gastvrouw, die haar voorbij ging.

Tweemalen herhaalde zich de droom, eerst in zeegroenen glans, daarna in vuurrooden gloed. Onbewegelijk lag Freddy met den adder, en alleen Lili sidderde in haar gewrongen poze. Paul zag met een stralend gezicht uit zijn hoek toe; alles was goed.

—Wat ligt die Freddy stil! En alles zoo rijk en toch niet overladen! Iets als een schilderij van Makart! sprak Betsy, haar veeren waaier ontplooiend.

—De freule uw dochter is al heel gauw levensmoê, mevrouw! lispelde de jonge De Woude Van Bergh, zich tot mevrouw Van Erlevoort, de mama van Freddy, buigende.

IV

Na de derde herhaling van den droom ging mevrouw Verstraeten in de kleedkamer. Zij vond er Frédérique en Lili, schaterend bezig zich van haren Egyptischen dos te ontdoen, zoekende naar de tallooze spelden, tusschen elke vouw. Paul en Marie, op hooge trappen, bijgelicht door twee der meiden, rukten Kleopatra’s boudoir uiteen. Dien beijverde zich neêrgeworpen draperieën en afgegleden kettingen op te rapen. De drie jongens rolden op een matras over elkaâr.

—Was het mooi, mama? vroeg Lili.

—Was het mooi, mevrouw? riep Frédérique tegelijkertijd.

—Prachtig mooi! Ze hadden het nog eens willen zien.

—Nog eens! Ik ben nu al half dood! riep Lili, en zij liet zich kwijnend, met geloken oogen, in een fauteuil neêr, terwijl ze er een grooten bundel van afgooide. Dien werd wanhopig: zóo zou zij nooit aan een eind komen.

—Lili, rust dan toch! riep Paul, boven op zijn trap, haar uit de andere kamer toe; je krijgt nu zoo een vermoeiende poze. Tante, zegt u toch aan Lili, dat ze moet rusten! en hij wierp eenige bonte tapijten van de koorden af, waarover zij geplooid hingen. Dien ging aan het opvouwen.

—Dien, witte lakens en witte tulle! riep Marie. Dien hoorde verkeerd en bracht verkeerd aan.

Ieder sprak, ieder beval en vroeg; de grootste wanorde begon te ontstaan. Paul roerde zich in wanhoop, zonder begrepen te worden, op de hoogste trede van de trap.

—Ik kan niet meer! sprak hij, neêrhurkend en woedend. Ik moet ook alles alleen doen!

Mevrouw Verstraeten was, na Pauls verzoek aan Lili herhaald te hebben, vertrokken om den knechts te zeggen, dat de jonge artisten niet vergeten mochten worden. De eersten kwamen dus weldra binnen, met groote bladen vol glazen wijn en limonade, gebak en sandwiches. De wanorde steeg ten top. De drie jongens lieten zich bedienen op hun matras, waarover een der Jannen een stroom orgeade goot. Toen stortte Marie op hen in een woede van woorden toe, en zij trok met Dien de matras onder hen weg, naar de andere kamer.

—Frédérique, help dan toch eens aan den achtergrond! riep Paul, steeds gehurkt, en met eene verwijtende stem. Hij had het reeds opgegeven meester te blijven over de drie jongens, die nu echter door oude Dien buitelend en gillend uit de kamer werden verdreven. Het werd een weinig rustiger, ieder was echter bezig, behalve Lili.

—Wat een rommel! sprak zij binnensmonds; en zij borstelde zittend heure haren uit, golvend en aschblond, om daarna van een grooten kwast een sneeuw van poeder op haar armen te doen vallen.

Dien kwam terug, ademloos, en het hoofd schuddende met een goedigen glimlach.

—Dien, witte lakens en tulle, gauw! riepen Freddy, Marie en Paul tegelijkertijd. Paul was van zijn trap afgeklommen, had het groote witte kruis, waaronder hij bijkans bezweek, op de estrade geplaatst en vlijde de matras en tal van kussens aan het voetstuk.

—Dien, witte lakens en tulle, alle tulle en gaas, dat er is! En Dien bracht het aan, met de andere meiden, wit, alles wit.

V

Mevrouw Verstraeten was naast haar nicht, Betsy van Raat, gaan zitten. Zij was gehuwd met den ouderen broêr van Paul.

—Jammer, dat Eline niet is gekomen; ik had op haar gerekend, om de lange pauzes met wat muziek aan te vullen. Ze zingt zoo lief.

—Ze was waarlijk niet wel, tante. U begrijpt, hoe ’t haar spijt, ooms verjaardag niet te kunnen meêvieren.

—Wat heeft ze?

—Ach, ik weet niet, ze was zenuwachtig, geloof ik.

—Ze moet heusch niet zoo toegeven aan die buien. Met een beetje energie kom je die nervoziteit wel te boven.

—U weet het, tante, het is de ziekte van het jongere geslacht! zeide Betsy, met iets als een treurigen glimlach.

Mevrouw Verstraeten zuchtte, en schudde toestemmend het hoofd.

—A-propos, hernam zij. De meisjes zullen morgenavond zeker te moê zijn om naar de opera te gaan. Zoû je misschien onze loge willen hebben?

Betsy bedacht zich even.

—Ik heb morgen een dinertje, tante, maar toch wil ik de loge heel gaarne hebben. Alleen de Ferelijns en Emilie en Georges komen, maar de Ferelijns wilden vroeg weggaan, omdat de kleine Dora weêr niet wel is geweest, en dan zoû ik met Emilie en Georges een acte kunnen gaan hooren.

—Nu, dat is dan afgesproken. Ik zal je de kaartjes sturen! sprak mevrouw Verstraeten, en stond op.

Ook Betsy stond op. Georges De Woude Van Bergh wilde haar juist aanspreken, maar zij deed, alsof zij hem niet zag. Zij vond hem van avond onverdragelijk; reeds tweemaal had hij haar aangesproken en beide malen hetzelfde gezegd, iets over de tableaux. Gedecideerd, hij had geen conversatie. Morgenavond zoû zij hem ook al moeten genieten. Tantes loge was een uitkomst…. Haar man stond in de serre met een groep heeren, den heer Verstraeten, den heer Hovel, Otto en Etienne Van Erlevoort, die druk redeneerden, en hij luisterde toe, met zijn groot dik lichaam de bladeren eener palm verdrukkend, een ietwat dommen lach op zijn goedig gelaat. Ook hij ergerde haar; zij vond hem archi-vervelend, en een rok stond hem zoo slecht, niets chic! In zijn duffel zag hij er ten minste flink uit!

En zij vond gelegenheid even tot hem te zeggen:

—Spreek toch eens iemand aan, Henk. Je staat al den heelen tijd in dien hoek. Circuleer eens een beetje; je ziet er zoo uit, net of je je verveelt…. Je das zit scheef.

Hij stotterde iets en tastte aan zijn hals. Zij echter keerde zich om en was weldra te midden van een luidruchtig troepje, dat zich om freule De Woude geschaard had. Zelfs de melancholieke mevrouw Van Rijssel, Freddy’s zuster, had zich er bij gevoegd. Emilie De Woude was ongehuwd en droeg haar acht-en-dertig jaren met een benijdenswaardigen levenslust; haar aangenaam, opgewekt gelaat maakte een allerinnemendsten indruk. Zij geleek op haar veel jongeren broêr Georges, maar had iets joviaals, dat zeer afstak tegen zijn gemaniereerde stijfheid.

Uitgelaten vroolijk had Emilie een kleinen kring, toegelokt door de komische voordracht harer anecdoten, om zich verzameld. Zij was juist bezig te verhalen, hoe ze verleden op de bevroren sneeuw gevallen was voor de voeten van een heer, die haar onbeweeglijk had staan aankijken, inplaats van haar op te beuren.

—Verbeeld je, mijn mof links, mijn hoed rechts, ik in het midden, en daar stond hij, met open mond, naar me te kijken….

 

 

 

VI

Er klonk een belletje; Emilie staakte haar verhaal en vloog uit haar auditorium weg, om naar voren te komen. Men verdrong zich voor de, zich opschuivende, porte-brisée.

—Ik kan niets zien! sprak Emilie, zich op haar teenen verheffend.

—Komt u hier op mijn stoel, freule! riep, achter haar een jong meisje, dat, in een crême toiletje, boven de anderen uitstak.

—Je bent een dot, Toos, heerlijk! Ik kom. Mag ik even passeeren, mevrouw Van der Stoor; uw dochter redt me uit den nood.

Mevrouw Van der Stoor, een dame, die onder pseudoniem gedichten schreef, week bits glimlachend uit. Zij was een weinig gefroisseerd door Emilie’s sans-gêne, zijzelve deed geen poging om beter te zien.

Emilie en Cateau Van der Stoor stonden weldra samen op een stoel, elkander om het middel vasthoudend.

—O, wat mooi! riep Emilie, en zij werd stil van wat zij zag. Uit de baren eener schuimende zee van gaas verrees een ruw, als uit wit marmer gehouwen kruis, waaraan een slanke witte vrouw zich in doodsgevaar vastklampte, terwijl haar voeten door een tulle golf werden oversproeid. En haar vingeren wrongen zich krampachtig vast aan de Rots der Eeuwen.

—Het is Lili! hoorde men hier en daar.

—Wat is die Lili elegant! fluisterde Emilie tot Cateau. Maar hoe zoû ze daar zoo hangen! Hoe houd ze het uit!

—Ze ligt heelemaal in kussens, maar het is toch erg vermoeiend, zeide Toos. Je ziet natuurlijk niets van die kussens, freule.

—Natuurlijk niet! Het is heel mooi, ik heb nooit zoo iets poëtisch gezien…. Zeg eens, Toos, ik dacht dat je meê zoû doen?

—Ja freule, maar alleen in het laatste tableau met Etienne Van Erlevoort. Nu moet ik langzamerhand weg, om mij te gaan verkleeden.

Zij wipte van haar stoel. Het licht weifelde, de deuren schoven dicht. Een licht applaus klapte als op ongelijke handslagen door de zaal. Maar weldra herhaalde zich het witte vizioen van schuimend gaas, en een engel boog zich met roerenden blik over den breeden arm van het kruis, om de bezwekene, die nu met geloken oog daartegen lag, op te heffen.

Het applaus weêrklonk krachtiger.

—Marie kan zich natuurlijk weêr niet ernstig houden! sprak Emilie, haar hoofd schuddend. Ze schatert het straks uit.

Werkelijk trilde er iets zeer ongepast spotachtigs om het fijne mondje van den engel, terwijl zijn roerende blik eenigszins komiek werd onder een paar zenuwachtig opgetrokken wenkbrauwen.

VII

Hoewel men het den artisten aanzag, dat zij moê waren, daar niemand zich onbewegelijk hield, werd het laatste tableau met tal van toejuichingen ontvangen. Viermaal, vijfmaal moest het herhaald worden. Het was eene allegorische voorstelling der Vijf Zinnen, voorgesteld door de vier jonge meisjes, rijk gedrapeerd in zware stoffen,—goud- en zilverlaken, brokaat en hermelijn—en door Etienne, den jongsten broêr van Frédérique, die in een minstreelgewaad het Gehoor voorstelde.

Het was nu gedaan.

Met de lange pauzes, die de artisten zich veroorloofd hadden, was het twee uren geworden, en de heer en mevrouw Verstraeten ontvingen de dankbetuigingen der gasten, die afscheid namen.

—Blijft u nog soupeeren, met Cateau? zeide mevrouw Verstraeten zachtjes tot mevrouw Van der Stoor. Heel familiaar.

Mevrouw Van der Stoor vond echter, dat het te laat zoû worden; zij wilde alleen nog op haar dochter wachten.

De artisten hadden zich zoo spoedig mogelijk verkleed en traden de zaal binnen, waar zij nog van de laatste gasten eenige complimenten over spel en smaak opvingen. Emilie had zich bij dien zegevierenden intocht aan de piano gezet, en ontbeukte er de akkoorden eener fanfare aan. Zij bleef als intieme huisvriendin met Van Raat en Betsy soupeeren.

—Morgen kom je toch, niet waar, Toos; morgenmiddag, om twee uur, komt de fotograaf! riep Marie.

Het was dan Donderdag, maar Cateau zou niet naar school gaan, om uit te slapen, en om twee uur zou zij komen.

Afgetobd vielen de artisten neêr in de gemakkelijke stoelen der ruime serre, waar een koud souper verscheen, een kalkoen, slâ, een taart, champagne.

—Wat was het mooist? Wat was het mooist? riepen zij allen.

En een ieders opinie werd gewikt en gewogen, bestreden en toegejuicht, onder een algemeen gerammel van borden, gekletter van vorken en lepels, geklink van glazen, vol en spoedig leêg.

Buy Eline Vere